Christina (Stien) de Jongh - van de Stadt, 221.3d3 (23/1/1908 - 12/4/1994)

         [Bron: Archief van Stien de Jongh-van de Stadt, 221.3d3. Artikel verschenen in "De Gelderlander", zaterdag 27 maart 1987.]


Een laagje ijs over de dekens.

     In de zomer van 1986 vroeg een dochter van mevrouw Stien de Jongh - van de Stadt (78) haar of zij mee op reis ging naar het buitenland. "Liever niet," zei ze. "Maar weet je wat ik wel wil? Nog n keer naar het Openluchtmuseum, om naar mijn geboorte-huis te kijken".
    Het werd de tweede maal in haar leven, dat zij aan de Arnhemse Zaanstreek stond.

Stien de Jongh: beide benen in de lucht.     "Ik ben de laatste die in het huis geboren is," zegt de Zaankantster, die inmiddels allang vergroeid is met het leven in de duinen bij Bergen aan Zee. "Vader kocht het huis in 1902. Hij was commissionair in effecten en makelaar. Mijn ouders bleven er wonen tot 1937. Een jaar later werd het huis afgebroken en overgebracht naar Arnhem."

     "En kamer is er toen afgelaten. Het achterste vertrek in de vleugel, die het verst naar de waterkant uitgebouwd is. Het kamertje waarin ik geboren ben."

Realiseerde U zich, dat U in een bijzonder huis woonde?

     Mevrouw de Jongh: "In die tijd? Ach nee, je woonde in een huis. Net als iedereen. Maar ik vond het er fijn, dat wel. In de tuin stond een olm en daarin woonde een uil. Dat is een herinnering die heel levendig blijft."

Dubbele Buurt 10/12, Koog a/d Zaan; in 1937 verplaatst naar Openlucht Museum te Arnhem. "Mijn moeder vond het een vreselijk huis. Dat kan ik me nu ook wel voorstellen. Je kwam m van de kasten. En alles was van hout, ook de keuken. Daar viel wat in te lappen. Elke week weer."

Geen gerieflijk huis dus.
     Mevrouw de Jongh: "Nee, dat ben ik me afgelopen winter ook weer goed bewust geworden toen hier de verwarming een keer uit viel. Het was plotseling weer zo koud, als toen in Koog aan de Zaan."

IJsklomp
     "Als de Noordwestenwind over de Zaan aankwam, kregen we de volle laag. Ik weet nog, dat het zeil in de keuken er bol van ging staan. Boven, waar ik sliep, was het ook geen pretje. Als je 's ochtends wakker werd, lag er een laagje ijs over de dekens."

     Tekening uit het Kalenderblok van Typhonist, 30 maart 1977. "Ik weet nog, dat ik 's avonds een keer de lampetkan omstootte. Want behalve in de keuken en in het kantoor van vader, was er nergens in huis een kraan te vinden. Je nam daarom water mee naar boven om je te wassen."
     "Om de boel droog te maken haalde ik van beneden de dweil. Maar daar viel niets meer mee uit te richten. De hele zaak was al bevroren. Drie dagen lang is die ijsklomp daar gebleven."

     Kachels stonden er ook spaarzaam in het huis. Mevrouw de Jongh: "In de kamer en in het kantoor was verwarming. Toen mijn ouders het huis kochten, was er in de kamer nog een prachtige betegelde schoorsteen. Maar vader heeft die weg laten breken, en er een kolomkachel voor in de plaats genomen [omstreeks 1929]. Maar daar was het niet mee warm te stoken."

     Ze vertelt het met een vrolijk gezicht. Want alles bij elkaar genomen, was het vooral een onbezorde jeugd aan de Zaan. Mevrouw de Jongh: "Ja, dat water! Uren achtereen hebben we op de vlonder achter het huis gespeeld. Ook onvergetelijk."

Uw ouders zullen wel doodsangsten hebben uitgestaan.
     Mevrouw de Jongh: "Omdat ik in het water zou kunnen vallen? Welnee. Mijn moeder kon zelf niet zwemmen, maar ze stond er nauwlijks bij stil dat er gevaar zou kunnen zijn. 'Kind', zei ze, 'als je in het water valt, dan moet je heel hard gillen'. Een keer heb ik achterover in het water gehangen. Toen moeder op het gegil aan kwam lopen, stikte ze van het lachen. Het was ook werkelijk geen gezicht, zoals ik daar bijhing, met de beide benen in de lucht. Dat was geen achteloosheid. Je was gewoon gewend aan water om je heen."

Dubbele buurt, 1928. Dubbel
     Het huis stond indertijd aan de Dubbele Buurt. Mevrouw de Jongh: "Die naam is heel verklaarbaar. Overal in de Koog had je huizen aan het water. Aan de voorkant liep de straat. En daarachter waren de weilanden. Alleen in het stukje waar wij woonden, stonden ook huizen aan de overkant van de straat. Vandaar: de Dubbele Buurt."

     Weer terug naar het water. Mevrouw de Jongh: "Er was nog wat scheepvaartverkeer. Enmaal per week passeerde de Alkmaarder Pakketboot. Zondags bleef al het verkeer weg. Dan was het water vrij voor zeilschepen. Ja, er werd wat af gezeild. Heel feestelijk altijd."
     "Als je ergens vlug wilde zijn, nam je de kano. Die van mij heette de 'Hippelepip'. Als het mooi weer was, nam ik m'n huiswerk mee in de kano."
     "Langzaam dreef je dan van huis vandaan. Want verderop had je afgesproken met je vrienden en vriendinnen. Daar lagen we met z'n allen op het water te dobberen. Van huiswerk-maken kwam natuurlijk geen spat terecht. Er was een jongen, die van huis een slingergrammofoon mee had genomen. En zo luisterden we de hele middag naar muziek."

     In 1937 was het gedaan. "Ik was toen allang niet meer thuis. Verderop had je Honig-fabriek, en die breidde almaar uit. Meneer Honig wilde ook graag ons huis. En moeder wilde we weg."
     "Het huis is daarom verkocht. Maar meneer Honig schoot er aanvankelijk niets mee op. Het huis was tot monument verklaard. Het mocht niet worden afgebroken. Toen heeft hij het voor elkaar gekregen, dat het naar [het Openlucht Museum in] Arnhem zou gaan. En zo is de uitbreiding van de fabriek uiteindelijk toch doorgegaan."

     "En ding is jammer. De vlonder waarop wij als kind zo heerlijk speelden is niet overgebracht. Die mis ik in het Openlucht Museum. Maar meneer Honig, die verderop aan de Zaan woonde, had er zelf geen. De vlonder heeft hij daarom achter zijn huis laten aanleggen."

|| Terug naar andere verhalen. ||

Dit verhaal toegevoegd: 5 okt 2008 en aangepast 26 april 2009.