notaris Jacob Johan (Ko) van de Stadt,
    334.21 (17/6/1916 - 16/9/1995)


„Altijd menselijk blijven, dat is ook een ere-code”


[Tekst uit Stad en Streek, 1984; Foto Studio Wiek Natzijl].

         ALKMAAR - Met tóch een beetje bibber in de buik, wordt Het Moment Suprème verbeidt. Dan zwaait de deur open, wachten uitnodigend de zetels en lijkt zich achter de inmiddels klaargelegde paperassen stapel een doorgaans vriendelijk gezicht te verschuilen. Jawel, notaris J.J. van de Stadt, 68 en straks gepensioneerd, houdt de penhouder reeds in aanslag, wat belangstellende vragen vooraf, heeft u wel aan dit en dat gedacht en daar nog opgelet, geen vraagtekens meer? Dan wordt zwierig de krabbel-in-meervoud gezet, de koopacte gepasseerd en de koop is gesloten verklaard.

         Voor menigeen een incident, een gedenkwaardig feit, de afsluiting van een soms langdurige onderhandelingsprocedure. Notaris van de Stadt heeft er gedurende een fors deel van zijn arbeidzaam leven dagelijks werk van gemaakt. Als notaris. En als de Alkmaarse belichaming van een der grondgedachten van het Burgerlijk Wetboek: Ieder het zijne, zonder aanzien des persoons.
         De contouren zijn geschetst, het beeld wacht op invulling, een halve eeuw notariaatswerk in Noordholland, Zaandam, Alkmaar. Staatsexamen gedaan in Amsterdam, als jongmaatje tussen de paperassen, solliciteren bij het leven: de scheidende notaris heeft niet stilgezeten. Was daartoe ook niet bij machte: „Mijn ambt kent zoveel verschillende invalshoeken, daar zitten zoveel facetten aan, een béétje notaris verveelt zich nooit. Die blijft studeren, met z'n neus in de boeken. Een begrip als ‘vrije tijd’ begint dan zijn betekenis te verliezen. Want een goeie ‘zaak’ laat je niet los, die breng je mee naar huis, daar puzzel je mee verder. Zó boeiend is dit vak.”
         Zó boeiend was voor notaris Van de Stadt ook zijn niet aflatende strijd voor een functie in Alkmaar, als mogelijk opvolger van de ‘éminence grise’. De Lange, indertijd De Alkmaarse Notaris en vertrouweling van de complete binnenstad. „Was nog geparenteerd aan de familie Van Vollenhoven, van Pieter, u weet wel”, licht Van de Stadt eerbiedig toe. „Ik kon niet beter terecht komen.”

Niemandsland
         In de jaren zestig, de oude heer De Lange overleed plotseling tijdens een vakantiereis naar Sicilië, greep de Zaanse kandidaat-notaris zijn kans in Alkmaar. „Maar denk niet dat het een soort veni, vidi, vici is geweest. Man, daar ging een slepende benoemings-procedure aan vooraf, met telkens weer solliciteren, negen keer op de voordracht staan en dan tenslotte toch als notaris in het Alkmaarse niemandsland belanden. Maar ja, daar was ik als amateur rally-rijder/kaartlezer aan gewend... Het fascineerde me wel.”
         Notaris Van de Stadt bleef niet lang een vreemde eend in de bijt. Dank zij de inspanningen van de heer Humer, verklaard De Lange-adept en als geen ander thuis in de Alkmaarse materie, raakte hij binnen de kortste keren ingewerkt. „Ik ben er meneer Humer nog steeds dankbaar voor”, zegt de notaris. „Die heeft hier aan de Breedstraat als mijn kwartiermaker gefungeerd. Hoe die man het werk in zijn vingers had, ongelooflijk. Om nu nog je pet voor af te nemen. Heel diep.”
         Onder de betrekkelijke nieuweling Van de Stadt beleefde het binnenstadskantoor zijn grootste groei. „De huizenmarkt vertoonde halverwege de jaren zestig een explosieve ontwikkeling, Alkmaar zette grootse bouwplannen op stapel en wij zaten daar midden in. Bovendien veranderde notariskantoor J.J. van de Stadt voor de vaste binnenstads-cliëntele niet van karakter: De traditie van De Lange werd voortgezet, wie binnen de stadswallen een notaris nodig had, ging naar dit stokoude kantorendoolhof aan de Breedstraat. En zo is het gebleven. Tot op de dag van vandaag en nog lang daarna, mogen we hopen.”

Strijkstok
         Van de Stadt heeft dat in hem gestelde vertrouwen bij zijn weten nimmer beschaamd. Zijn ambtseed was en is hem heilig en over notariële ‘deconfitures’ van vakbroeders (en -zusters) elders in den lande rept hij met voorbeeldige verontwaardiging. „Mensen die dan ook maar de neiging hebben iets onwettigs aan de strijkstok te laten hangen, zijn dit ambt niet waard. Je bent en blijft als notaris tenslotte altijd een openbaar ambtenaar, weliswaar met een eigen praktijk, maar toch in eerste instantie de dienaar van publiek en overheid. Met die functie zijn geen 'spelletjes te spelen.”

         Het notarisambt mag dan geen spelletje zijn; de ene opdracht blijkt toch boeiender dan de andere. Als er speurderswerk aan te pas komt, bijvoorbeeld. Als Van de Stadt juridisch het onderste uit de kan moet halen om iedereen het zijne te verschaffen.
         „De aanleiding is natuurlijk ellendig, maar het werk was uitermate interessant: Het opsporen van de nazaten van Joodse families, als er nalatenschappen te verdelen waren. Dan correspondeerde ik met zo‘n beetje de hele wereld, van Israël tot Zuid-Amerika, op zoek naar verre familie van de slachtoffers, een neef in de vierde graad, een al sinds jaren geëmigreerde halfbroer. Interessant puzzelwerk leverde dat op. Bovendien ben je daar als notaris, executeur-testamentair, toe verplicht. Testamenten dienen te worden uitgevoerd, nalatenschappen, moeten onder de rechthebbenden worden verdeeld. Het spoor mag niet doodlopen.”
         Inderdaad: J J. van de Stadt heeft zijn spoor getrokken. Langs boel-huizen, opkopers, verkopers, veilinggebouwen, openbare verkopen. Een huis bij opbod, misschien te duur gekocht, werkloos geraakt, al te nonchalant met de pecunia omgesprongen. Eerste aanmaning, tweede aanmaning, deurwaarder op de stoep, koopwoning op de veiling, een mens wordt daar niet vrolijk van.

Ellende
         Zo ook niet notaris Van de Stadt, die in de laatste jaren steeds vaker met dit soort rampspoed wordt geconfronteerd. „Inderdaad, er gaat dan best wat door je heen. Vooral als de mensen buiten eigen schuld in dit soort ellende raken. Een Voorbeeld: Man neemt de benen, blijft onvindbaar. Vrouw blijft met de kinderen, zonder alimentatie maar wèl met de hypotheekschuld zitten. In zo'n geval dien je ook als notaris, als wettig uitvoerder van zo'n rotbeschikking, naar andere oplossingen te zoeken. En ik ben oprecht blij dat in mijn praktijk aan dit soort schrijnende gevallen dikwijls een mouw te passen bleek. Menselijk blijven, dat hoort ook bij mijn notariële erecode.”
         Notaris Van de Stadt blikt terug, verhaalt genoeglijk over de vaste club handelaren, makelaars en 'strijkgeldhalers' die hij ter veiling tegen het lijf loopt. Over Alkmaars vaste 'afslager' Klaas Verver, de man met de hamer. Over veiling- en vendumeesters: Een eigen wereldje, met eigen vakjargon, eigen rituelen, eigen gedragsregels. Je ziet het in zijn ogen: Eigenlijk is de man nog lang niet aan pensionering toe. „Maar het moet van Den Haag en daarom gaan we maar. Ontslag op eigen verzoek, je wilt de eer toch graag nog een beetje aan jezelf houden.”
         In opvolging per l januari aanstaande is nog met voorzien. „Daar gaat straks weer een zeer langdurige sollicitatieprocedure aan vooraf, zonder enige inspraak mijnerzijds, want ook dat is bij de wet geregeld: Het pousseren van vriendjes is op die manier bij voorbaat uitgesloten. Terecht”. Van de Stadt als pensionaris. Hoe ziet zoiets er uit? „Van de Stadt tussen de boeken, stel je dat er maar bij voor. Boeken over actuele geschiedenis, boeken over de interpretatie van het burgerlijk recht: Een mens raakt er niet over uitgepeinsd.”
         „En dan is er natuurlijk ook nog het stoomwezen. Als het over oude stoomtreinen gaat, lees ik alles wat los en vast zit. Ik heb er intussen een hele treintjesbibliotheek aan overgehouden. Nostalgie? Het mocht wat. Zat jonge mensen interesseren zich ook voor stoomtractie. Wat mij betreft heeft zo'n oude loc net zoveel gevoelswaarde als dit bejaarde kantoor. Het ruikt bijna hetzelfde.”

HILDO ZWAAN

[Bron: artikel uit Stad en Streek, 18 Juli 1984 door Hildo Zwaan.]

Toegevoegd: 28 sept 2020

|| Terug naar andere verhalen. ||