Reis
van Zaandam naar Baden-Baden, gedaan in 1835,

door Cornelis van de Stadt en
zijne echtgenoot Cornelia Hendrika Geukema en

Dirk Donker Hz. en
zijne echtgenoot Maria Alida van Orden.

———————————
Voor eigen rekening gedrukt.
———————————


TE ZAANDAM.
Bij G. Dekker Cz. & K. T. van Spanjen Koppenge,
Stads - Drukkers.



[Bron: Het boekje werd beschikbaar gesteld door J.N. van de Stadt. Het bevat geen indeling in hoofdstukken en geen foto-illustraties, want de fotografie was nog niet beschikbaar in 1835. De hier gebruikte plaatjes komen van internet.]

                   V O O R W O O R D

          Toen wij op onze reis naar Baden-Baden op den eersten avond van dien togt te NIJMEGEN aankwamen en eenige plannen voor de toekomst vormden, nam ik op mij, hier en daar de noodige aanteekeningen te houden, en in het vervolg een eenigzins uitgebreid reisjournaal te geven. Om onzen kinderen, bloedverwanten en vrienden een klein geschenk, een zoogenaamd welkom te huis te geven, lieten wij die aanteekeningen zoo als zij hier zijn, drukken. Wanneer nu onze betrekkingen met eenig welgevallen dit werkje lezen, dan zal zulks waarlijk ons aangenaam zijn,en zoo men met bescheidenheid dit vlugtig gesteld reisverhaal beoordeelt, dan zal dit bijzonder genoegen doen.

                   ZAANDAM                                          den schrijver,
                   27 Augustus 1836.                              D. DONKER Hz.




[Blz 1 en volgenden geven algemene overwegingen:]

          Reizen en trekken schijnt eene aangename zaak te zijn, voor sommigen. Eenigen reizen uit noodzakelijkheid, anderen uit louter vermaak. Het op reis gaan, met welk doel dan ook, schijnt toch altijd iets te hebben, dat op eene of andere wijze treft. Dit wordt veroorzaakt door de verandering van toestand, waarin men is of komen zal. De toebereidselen tot eene reis, het afscheidnemen van zijne betrekkingen, geeft reeds dadelijk eene verandering in beschouwing en behandeling. Is men dadelijk op reis, dan laat zich de verandering van toestand nog meer gevoelen.
         Die voor vermaak reist, heeft niet altijd genoegen; die voor zijne zaken zich ergens henen begeeft, heeft niet altijd moeijelijkheden.


         Op mijne vergenoegingsreisjes heb ik dikwijls de vrolijkste en opgeruimste gasten gevonden onder hen, die voor hunne zaken zich hier of daar bevonden, vooral als de avond hun rust voor hunne moeijelijkheden des daags gaf. Dat het reizen nuttig is, zal niemand ontkennen, die van gezond verstand niet ontbloot is, Wat zoude er geworden zijn van de kennis aan onzen aardbol, indien niet zoo velen zich opgewekt gevoeld hadden, om de aarde in haar verschillende richtingen te doorkruisen, en zij hunne bevindingen en ondervindingen niet kenbaar hadden gemaakt.....


[Op blz 4 begint de reis per rijtuig, vanaf Nijmegen per raderstoomboot:]

          De reisgoederen staan gepakt, en vrijdag 26 Junij zal de reis aanvangen. Ongunstige voorteekenen vertoonen zich. Regen en wind! Hoop en wensch verijdeld!
          Regen en wind, dat waren onze gezellen langs den boomeloozen weg naar Buiksloot en het Tolhuis. Het Y, die tak der Zuiderzee die ons zoo onvriendelijk van dat andere gedeelte van Holland scheidt, moeijelijk om over te komen. Intusschen gij ziet ons na eenige moeijelijkheden in Amsterdam en wij beklimmen den glazen wagen (van eenen Zaandammer burger) en wij rijden welgemoed, hoe het ook stormde en regende naar Utrechts grijze wallen, waar wij weder eenen anderen wagen namen naar Nijmegen. Verschoont u mij, dat ik u maar dadelijk in het welgelegen Nijmegen verplaats, want ik durf waarlijk van onze ontmoetingen op de reize derwaarts weinig te vertellen, omdat wij eigenlijk geene ontmoetingen hadden. De streek is u bekend, en de schoone wandeling, die wij des avonds in het Valkenhof deden, zal ik daarom ook niet beschrijven, wijl velen uwer die kennen. Alleen speet het mij, dat ik op eene mij bekende bank niet meer het rijmpje vond:

          Kunt gij mij een plaatsje noemen,
          Dat op zoo veel schoons kan roemen.

Zoude dit uit zedigheid weggenomen zijn, dacht ik.


Waar is het, dat dit plekje op zoo veel schoons kan roemen, dan men in ons klein Koningrijk moeijelijk iets dergelijks zal aantreffen.
          Mijne lezers, gij hebt in Nijmegen geslapen en des morgens half zeven gaat gij met ons naar de stoomboot. Dat is de Agrippina. [De Agrippina is een nieuwe boot van de NSM, de Nederlandsche Scheepsbouw Maatschappij, de voorloper van de NDSM. In 1835 had de NSM een monopolie voor passagiersstoomboten op de Rijn tot aan Keulen]. Die doet hare 7e reize. Zij is een groot, zeer groot schip. Ruim 200 voeten lang, en zij heeft 140 paarden kracht. Ieder haast zich om aan boord te komen. Ieder is bezig om een oog op zijne bagaage te houden en als alles nu zoo wat, in den regel is, begint op den wenk des kapiteins, die zich op eene der raderkassen begeven heeft, het stoomgedruisch. Alle Passagiers zijn in eene zekere spanning. Hier klinken de afscheidskussen, daar bevochtigt de wang een traan — ginds roept, hier schreeuwt men, — doch de kapitein is bedaard; aanzetten — stoppen — achteruit — vooruit — en daar gaat de Agrippina statig het liefelijk gelegen Nijmegen verlaten. .....


[Blz 8, het slechtste hotel:]

          Het was ons plan langs de Roer naar Elberfeld te reizen, en bij gevolg werd ons aangeraden om te Ruhrort aan land te gaan. Dit voornemen werd dan ook zeer deftig uitgevoerd. De boot ligt een weinig beneden Ruhrort steeds aan. Het was bij acht uren, dat wij ons digt bij die plaats zagen, doch daar riep ons de kapitein toe, dat hij wegens het stormachtige weder niet aanschieten kon. Een aakje moest ons dus afhalen. Dit geschiedde en hoewel ik niet vrij van vreeze was, want vader Rijn was tamelijk verbolgen, kwamen wij goed aan wal. Vóór ons waren nog andere passagiers, twee schilders en een soldaat, van de boot aan den wal gekomen. Nu begon eigenlijk een jammertooneel.
         Wij waren nog een half uur van Ruhrort af. De weg, uit klei bestaande, was niet te beloopen. Wij moesten dus een zoogenaamden onderdijk houden. Deze stond vol met hekwerk, dat doorgekropen of overgeklommen moest worden. Het regende geweldig. Verbeeldt u den toestand




der dames. Het was soms een koddig tooneel! Na veel klimmens en kruipens, kwamen wij aan onze bestemming, door en door nat. Het eenige logement in dat stadje nam ons op. Verheugd dat wij onder dak waren, zagen wij ons tegenwoordig verblijf niet rond.
          Doch toen de reisgoederen binnen waren, en wij ons ontdaan hadden van de natte kleederen, toen zagen wij eens rond, en onze treurige bevinding was, dat wij in een allersmerigst logement zaten. Er viel intusschen geen keus. Het avondeten werd opgedischt, doch mijne lezers alles was zoo razend treurig en onaangenaam toebereid, dat wij geenen trek gevoelden om iets te nuttigen. Slaapkamers waren als het soupé, en hoewel wij ons in de elende goed vermaakten, heb ik op de reize toch geenen slechteren nacht doorgebragt, dan hier. Zoo vroeg wij des morgens konden, vertrokken wij van Ruhrort, hetwelk ik met den naam van Treuroord heb bestempeld.


[Blz 49 en volgenden gaan over Worms en Luther:]

          Onder weg naar Worms bereikten wij reeds om elf ure, een pleisterplaats met genoeg aanleiding tot rustgenot en wandelen. Wij besloten hier wat uit te rusten en het middagmaal te nemen. Aan den dish, die om één uur gereed was, bevond zich onder meerdere gasten eene dame, die zich al dadelijk aan ons aansloot. Zij hielp de dames met alles goed terecht, en hoorende, wat het doel onzer reize was, gaf zij ons de beste inlichting. Zij was in de streken waar wij henen wilden te huis.
          Wij vervolgden onverwijld onze reize naar Worms kwamen te 6 ure daar aan, stapten af in den post, namen dadelijk eenen loonbediende, om ons naar de kerk te brengen, waar zoo vele groote herinneringen uit het gebied der geschiedenis ons voor den geest moesten komen. Onze gids geleide ons dan naar de luthersche kerk, eenig in hare soort, eenig in hare geschiedkundige waarde.
          Terwijl de gids den koster roepen ging, en wij voor de deur van het gebouw drentelden, hield op de straat een rijtuig stil, waarin eene dame zat, die ons wenkte. Wij gingen derwaarts, het was dezelfde vriendelijke dame van welke ik reeds sprak Zij, ons zo zonder begeleider ziende staan, meenden dat wij niet in de kerk konden komen, en bood ons aan, om voor ons den koster te roepen. Natuurlijk werd dit aanbod viendelijk van de hand gewezen, doch nu verzocht zij ons dringend, om wanneer wij den volgenden dag door Frankenthal, hare woonplaats, komen zouden toch eens bij haar af te stappen. Wij beloofden dit onder eenige voorbehouding. Zij reed reed voort en wij traden het eerbiewekkend kerkgebouw binnen.
          Nooit zag ik merkwaardiger kerk. [Waarschijnlijk bedoelt hij de Dom in Worms?] Zij is gebouwd op den plek waar Luther in 1521 op den rijksdag verscheen. Mij dunkt ik zag daar den man vol vuur en kracht zijne zaak verdedigen. Mij dacht ik zag hem daar, omringd van zijne vijanden, maar ook onder de bescherming van enkele zijner vrienden. Het groote werk, dal hij wrocht, stond levendig voor mijnen geest en het kwam mij voor, dat hij het was voor wien vriend en vijand ook nog in deze dagen heiligen eerbied hebben moet. Hij toch verbrak de kluisters van on- en bijgeloof.
          Het kwam mij voor, als stond ik daar op den heiligen grond, waar Gods bevel, ook aan het drieste priesterbedrog toeriep: „tot hier en niet verder”.




          Immers hoe men over Luther ook denke: hij was de man, die onder de gevaarlijkste omstandigheden voor zijn gevoelen durfde uitkomen, en die alleen in. zijn bijbel vertaling der beschaafde wereld onberekenbare diensten heeft bewezen. Eene fresco schilderij , die echter niet zeer fraai is, stelt de geschiedenis van dien rijksdag voor. Met heilige gewaarwordingen verlieten wij dit kerkgebouw bezochten ook nog de weinig belangrijks aanbiedende roomsche kerk — en gingen nu in aangenaam onderhoud den overigen tijd in ons logement doorbrengen. Worms biedt thans niet meer aan wat het voorheen was. Voorheen bevatte het 30.000 nu slechts 6.000 inwoners.
          In den vroegen morgen deden wij nog eene wandeling rondom de stad, en vertrokken om 8 uur des morgens van den 8en Julij naar Manheim. Doch eerst deden wij nog eene bedevaart naar den boom waar Luther uitrustte, toen hij, op zijnen moeijelijk togt naar den zoo even genoemden rijksdag, was. Deze staat bij het dorp Fifekom. Bij dien boom lieten wij ophouden. Wij stegen van het rijtuig. Beurtelings zeiden wij, als of dezelfde denkbeelden zich in onze ziel ontwikkelden; wat zal de groote hervormer hier wel overdacht hebben. Welke grootsche denkbeelden doorkruisten hier zijne ziel. Welk een verheven denkbeeld moet hij gehad hebben, van eene bewarende voorzienigheid; hoe groot moet zijn vertrouwen op de regtvaardigheid zijner zaak geweest zijn! —
          Die boom is naar onze meting 35 voeten dik, en wel 100 voeten hoog. Het is een Olm. Na deze bedevaart reden wij weder terug tot bij Worms. — Door Bobenheim dat niet onaardig ligt, kwamen wij op Rijnbeiersch grondgebied, en zoo naar Frankenthal. „Hoe zullen wij nu met ons bezoek handelen bij die vriendelijke dame?” was onze vraag, en het algemeen gevoelen, daar wij onzen tijd zoo noodig hadden, daar wij dien avond nog in Schwetsingen wilden zijn, was, dat wij maar voort souden spoeden.
          Naauwelijks nog waren wij door de poort van Frankenthal, of onze vriendelijke dame stond reeds met twee harer dochters aan de deur. Wij moesten afklimmen. Voerman en paarden werden verzorgd, en wij vonden voor ons eene goede tafel bereid. Vruchten, brood en wijn in over vloed. Wij waren tot in de ziel getroffen door dit zoo onverwacht en gastvrij onthaal, maar nog meer streelde het ons, toen zij ons verhaalde, dat zij eenmaal in Holland geweest zijnde, onbepaalde achting voor de bewoners van dit land had opgevat. De goede vrouw wist niet hoe zij op de best mogelijke wijze ons inlichtingen zoude geven, en ineen woord zij maakte ons met hare vriendelijkheid verlegen. Toen ik afscheid van haar nam, drong eene traan uit mijn oog, terwijl ik haar verzekerde, dat ofschoon ik haar in deze wereld hoogstwaarschijnlijk niet zoude wederzien, haar aandenken nooit bij mij zoude vergeten worden.


[Blz 67 en volgenden gaan over de aankomst te Baden-Baden:]

          Voorzeker gij kunt u bijna geen verrukkender gezigt voorstellen, dan Baden-Baden oplevert als men hetzelve nadert. —
          Een helder vlietende beek kronkelt zich tusschen fraaijen dreven, en schoone boomen heen. Van verre en overal ziet gij de schoonste lustplaatsen, hier en daar kronkelende wandelingen, rondsomme hooge gebergten, die aan het zwarte woud palen, en ginds, ginds die plaats, die stad, met hare met lei gedekte daken, die stad, ja, dat is de bronnenstad, waar vreugde leven en bedrijvigheid heerschen. Hoe verder gij vordert, hoe nader gij dus bij de stad komt, hoe meer ook het uitwendige de kenmerken begint te dragen, dat gij in een dal zijt verplaatst, waar een menigte vreemden zich bevinden. Eindelijk daar rijden wij de brug over — wij zijn binnen Baden-Baden! Onze eerste poging was, om onderdak te komen. Voor het Zahringer-Hof hielden wij stil. Met vele buigingen en pligtplegingen vermeldde ons der Herr oberkellner, dat, het smartte hem zeer,


maar het was onmogelijk ons te plaatsen. Dit refus heeft altijd iets onaangenaams, maar men durft nog kwalijk een zuur gelaat vertoonen.
          Nu ging het af op den Hirsch. Daar was het in eenen rigtig. Wij stapten af, om — op te stappen, namelijk de trappen en dat wel eene meenigte. Ik meende dat er geen einde aan zoude komen, en dat men ons naar hooger sferen wou voeren.
Maar wij bleven gelukkig in dit ondermaansche, maar dan toch op de allerbovenste verdieping van ons gekozen hotel. Onze kamers waren wel. Tot onze niet geringe blijdschap vernamen wij, dat er om 4 ure table d’hóte was. Nu spoedig aan het opmaken van het toilet, aan het poetsen en plasschen, en meer deftig waren wij om 4 ure gereed, om door eten en drinken ons bouwvallig ligchaam weder wat te versterken.

|| Terug naar verhalen. ||

Dit verhaal werd toegevoegd op 7 sept 2022.